De Ötztaler Radmarathon 2022

Afgelopen zondag, 28 augustus, was het dan eindelijk zover. Na maandenlange voorbereiding waarin veel getraind werd, stond ik aan de start van een van de zwaarste georganiseerde fietstochten van Europa: de Ötztaler Radmarathon. Een route door de Oostenrijkse en Italiaanse Alpen van 232 kilometer met meer dan 5500 hoogtemeters.


De voorbereiding bestond vooral uit veel fietsen dit jaar, maar ook de dagen voor de tocht werden de laatste voorbereidingen getroffen. Zoals het eten van veel pasta, op zaterdagochtend een kort rondje losfietsen en bedenken wat je wanneer wil gaan eten tijdens deze lange dag op de fiets. Je kon de spanning de dagen voor het evenement in ons appartement voelen oplopen. Dirk-Bort, de fietsvriend waarmee ik dit avontuur aanging, had vorig jaar al meegedaan en was duidelijk minder gespannen dan ik. Maar toch, het hele dorp stond een weekend in het teken van fietsen en alles was erop gericht om je zo nerveus mogelijk te maken. Vooral de pop-up winkels van gerenommeerde fietsmerken slaagden hierin. Zij wilden je nog vlug een regenjas aansmeren, want stel je voor dat het zou gaan regenen.


Op zaterdagavond was er nog een briefing, waarin uiteraard ook op het weer werd ingegaan. Droog zouden we het zeer waarschijnlijk niet gaan houden, tenzij je heel snel zou finishen. Rond een uur of vier zou een regenfront(je) over de laatste klim heen trekken. Nerveus lieten wij ons niet maken, wij hadden de juiste kleding mee en wisten dat we er toch niets aan zouden kunnen veranderen. De avond eindigde vrij snel na de briefing. We doken ons bed in om nog een laatste goede nachtrust te kunnen pakken. De wekker zou immers al om half vijf gaan.


Wonder boven wonder werd ik even voor half vijf wakker, we stapten ons bed uit en maakten ons klaar voor de grote opgave die ons vandaag te wachten stond. Eerst ontbeet ik, met een paar simpele boterhammen met pindakaas. Daarna konden we ons gaan omkleden, de kledingkeuze was die avond daarvoor al gemaakt dus erg ingewikkeld was het niet. Met wat extra laagjes aan, die vlak voor de start nog uit zouden gaan, reden we op onze fiets naar beneden, het dal in. We waren niet de eersten, ondanks dat we om half zes al aanwezig waren, terwijl de wedstrijd pas om half zeven zou beginnen. Toch stonden we nog relatief ver vooraan. Iets voor het startschot gaven Dirk-Bort en ik onze overbodige kleding af aan mijn vriendin, die een dagje ploegleider was. Ik zwaaide haar uit, terwijl ik midden in de menigte stond. Het gaf een beetje een Elfstedentochtgevoel, met duizenden mensen wachten op het startschot. Je voelde de nervositeit door het 4100 man grote peloton gaan. Al die nervositeit stapelde zich op, tot dat ene moment.



Om half zeven klonk het startschot, uit een kanon welteverstaan. Degenen die vooraan stonden reden weg, wij volgden twee minuten later. Vanaf hier reden wij onze eigen wedstrijd, in de voorbereiding sprak ik van wij, nu wordt dat ik. Dirk-Bort reed zijn eigen race en ik deed dat ook. We wensten elkaar een laatste keer succes, om te weten dat we elkaar aan het eind van de middag pas weer zouden zien. In de wetenschap dat hij (veel) eerder dan ik zou finishen.


De eerste dertig kilometer gingen in licht dalende lijn, richting Ötz. Doordat je in een grote groep rijdt gaat het enorm snel. Ik reed met vijftig gemiddeld richting het dorpje Ötz, waar de eerste klim zou beginnen. In deze eerste dertig kilometer is het zaak om je niet te gek laten maken door iedereen. Mij lukte dat maar een beetje. Af en toe probeer je, tegen beter weten in, toch een gat naar een volgend groepje dicht te rijden. Terwijl dat volstrekt kansloos is. Na 36 minuten was ik al in het dorpje. Hier ging de route naar rechts, de eerste klim op, richting Kühtai. Het was een vrij onregelmatige klim, er waren stukken bij die enorm steil waren, maar ook vlakke stukken, of stukjes die licht naar beneden liepen. Hierdoor was het lastig een goed ritme te vinden.



Op deze klim begon ik mensen te herkennen, in de ene bocht haalde iemand mij in, die ik vervolgens, vijfhonderd meter later, weer voorbijreed. Overal reden mensen, het herkennen was dan ook niet altijd even makkelijk. Sommigen maakten het daarentegen wel erg simpel, door op een neon-groene fiets te rijden, een rugzak mee te dragen, of een shirt aan hadden waar een enorme kikker opstond. Iemand anders herkende ik weer aan een opvallend startnummer. Zo zullen mensen mij ook herkend hebben, met nummer 888.



Na iets minder dan anderhalf uur was ik boven, ik kwam op plek 1200 door, van de 4100. De afdaling die volgde ging razendsnel. Het was een vrij rechte weg, waarin geen scherpe bochten zaten. Ik zal maar niet vertellen hoe hard ik in deze afdaling ging, maar het ging hard. Vooraf was er nog gewaarschuwd voor overstekende koeien, die ben ik gelukkig niet tegengekomen. In deze afdaling was ook een korte omleiding opgenomen, dit betekende helaas wel dat er nog een klein klimmetje overwonnen moest worden, voordat we het dal inreden. Het was steil, boven de elf procent, en veel harder dan negen kilometer per uur ging ik niet. Lang duurde het gelukkig niet, de afdaling kon vervolgd worden, en we kwamen aan bij het enige stukje vlak van de hele route. Het was zaak om direct een goede groep te vinden waar ik mij in kon verschuilen, zodat ik niet met mijn neus in de wind zat. Ik vond een vrij grote groep, waar wel een aantal mannen vrij hard op kop aan het rijden waren. Het enige probleem was alleen dat ik mijn jasje nog uit moest doen dat ik voor de afdaling aan had gedaan. Dit kon alleen als ik langs de kant stopte. Ik moest de groep dus laten gaan. Gelukkig kwam er, precies op het moment dat ik klaar was met mijn jasje uitdoen, een even grote groep voorbij, waar ik mooi kon aanhaken.



Na dit stukje vlak begon de klim naar de Brennerpas, een klim die nergens steil is en waar zelfs stukjes vlak in zitten. Het was dus van belang om in een groep te blijven, om zo energie te sparen. Op de wat steilere stukken van deze klim van maar liefst 36 kilometer liet ik de grote groep gaan, ik zat achter in de groep en de groep brak in tweeën. Ik reed mijn eigen tempo en klom gestaag verder. Toen het wat afvlakte, zag ik een groepje van vier een stuk voor mij rijden, samen met een Oostenrijker probeerde ik het gat te dichten. Echt diep wilde ik niet gaan, er lagen immers nog genoeg hoogtemeters voor de boeg. Ik dacht niet dat het ging lukken om het gat te dichten, in mijn beste Duits roep ik: “zu fern”. Hij neemt over en rijdt het gat bijna in een keer dicht. Ik bedank hem. In dit groepje rijden we verder, tot de top van de Brennerpas, op 1300 meter hoogte. Nog steeds ging alles goed en had ik het idee dat ik best goed in orde was. Bij de geplande stop boven op de Brennerpas kon ik gebruik maken van mijn vooruitgestuurde tasje met het nodige eten en drinken. Hier maakte ik dan ook gebruik van, na enkele minuten sprong ik weer op de fiets.


De tweede afdaling van de dag begon, richting de volgende klim: de Jaufenpas. We reden hier Italië in, het publiek langs de kant begon wat af te nemen. Op de Brennerpas kwamen we af en toe door een dorpje, waar veel mensen aan het klappen waren, of een koebel wild door de lucht slingerden. Iedereen was enthousiast voor iedereen die passeerde. In Italië werd dit iets minder, al waren er nog steeds af en toe mensen die je aanmoedigden. Elke keer toverde dat toch een glimlach op mijn gezicht.


Terug naar de afdaling, deze was niet zo lang, een kilometer of tien. Direct na deze afdaling begon een klein klimmetje vanuit Sterzing. Deze werd zonder moeite overwonnen. Een korte afdaling volgde, voordat de Jaufenpas moest worden bedwongen. Hier begon de ellende, al had ik dat gevoel nog niet direct. Eigenlijk ging het begin van deze klim hartstikke goed, ik kon ongeveer even hard rijden als op de eerste klim richting Kühtai, terwijl ik toch al ruim honderdveertig kilometer en iets meer dan vijf uur achter de kiezen had. Ik begon enorm veel mensen in te halen, de een na de ander liet ik achter mij. Dit hield ik vier kilometer vol. Ik voelde de energie langzaam wegvloeien. Ik had het idee dat, als ik dit tempo langer zou aanhouden, ik over twee kilometer ergens links of rechts van de weg compleet uitgeteld in de berm zou liggen. Daarom besloot ik het tempo wat te verlagen, drastisch te verlagen welteverstaan. De lichtste versnelling kwam hierbij goed van pas.

Het was nog ruim tien kilometer naar de top en op dit tempo zou dat meer dan een uur gaan duren. Er zat niks anders op dan rustig door te peddelen in de hoop dat ik wat bij zou komen. De mensen die ik eerder had ingehaald haalden mij nu in. Van tevoren had ik nog bedacht om binnen tien uur te finishen, dat gooide ik nu uit mijn hoofd. Het belangrijkste was de finish überhaupt halen, ik had er zo mijn twijfels bij of dat ging lukken. Na deze klim zou immers de lastigste klim nog wachten.


De top van de Jaufenpas kwam steeds dichterbij, ik telde de kilometers af. En opeens zag ik de langverwachte verzorgingspost. Deze bleek een kilometer onder de top te staan. Dit kwam als geroepen. Ik nam hier de tijd om even wat te eten en naar het toilet te gaan. Na een kwartiertje sprong ik weer op de fiets voor de laatste loodjes van deze klim. Blij en voldaan kwam ik boven aan, wetende dat er nog ‘maar’ één klim tussen mij en de finish lag. Wel een klim van 27 kilometer lang en waarbij ruim 1800 meter geklommen moest worden, maar dat deed er voor een fractie van een seconde niet toe.



Eerst de afdaling in, ik deed mijn jasje aan, tegen de kou. Na tweehonderd meter had ik al door dat dat niet nodig zou zijn. Hier in Italië was het hartstikke warm, zelfs op tweeduizend meter hoogte lag de temperatuur boven de twintig graden. Deze afdaling was wat technischer, hier en daar een haarspeldbocht en een aantal bochten die lastig in te schatten waren. Ik deed voorzichtig. In de afdaling kan je hoogstens een paar minuten winnen, maar er valt zoveel te verliezen. Na twintig minuten was ik beneden, aan de voet van de Timmelsjoch, de laatste klim van de dag. Maar zoals eerder gezegd, wel 27 kilometer lang, met in het midden een stuk van vier kilometer dat iets vlakker is.


Vanaf de voet koos ik een tempo waarvan ik vrij zeker was dat ik het de hele klim vol zou kunnen houden. Vooral niet te hard, versnellen zou altijd nog kunnen. Eerst maar eens een aantal kilometers dit volhouden. Dat werd al lastig zat, aangezien het ook een stuk warmer aan het worden was. De temperatuur steeg zelfs tot boven de dertig graden. Gelukkig stonden er af en toe busjes van de organisatie langs de kant van de weg met koud water. Bij een zo’n busje stopte ik, na een glas koud water reed ik verder, wat direct effect had. Ik voelde mij een stukje beter. Maar van harte ging het niet. Door blijven trappen was het devies, dan kwam ik vanzelf boven dacht ik maar. Na veertien kilometer en een vrij dik uur later was het eerste deel van de klim gedaan. Op het vlakkere stuk maakte ik een praatje met een Duitser (of Oostenrijker), we hadden het over hoe het tot nu toe ging, over dat de voorspelde regen leek uit te blijven en dat we uitkeken naar de grote verzorgingspost die hier ergens om de hoek moest liggen.



Hier stopte ik, het enige dat ik nam was een klein beetje zout, in andere dingen had ik niet echt trek. Toch at ik ook een zelf meegebrachte reep, om mij niet opnieuw zo slap te voelen. Na deze pitstop kwam het laatste deel: zeven kilometer lang, met een gemiddelde van meer dan acht procent, op weg naar de top van de Timmelsjoch. Ik hield het tempo dat ik voor de stop reed aan. Het was hier werkelijk waar prachtig, ik had van tevoren niet gedacht dat ik op dit moment zou kunnen genieten, maar toch, het lukte nu. Helaas begon het ook te regenen. Terwijl ik er nog zo van overtuigd was dat die regen weg zou blijven. Op meer dan tweeduizend meter hoogte gelden andere dingen. Het begon daarnaast ook serieus af te koelen, de temperatuur zakte eerst naar twintig graden, maar al gauw ging die richting de tien graden. Ik besloot mijn jasje aan te doen. Als ik te veel af zou koelen zou ik nog veel verder van huis zijn zo meteen in de afdaling. Na vijf minuten was er een geschikte plek om mijn jasje aan te doen, waar ik ook wat te eten kon pakken. Ik zei nog tegen iemand dat ik niet dacht dat het nog droog zou worden. Nog geen twee minuten nadat ik wegreed werd het droog. Ik kon mij vandaag geen weerman noemen, nu ik er al twee keer naast had gezeten.



Het was nog een aantal kilometer naar de top, om geen tijd te verspillen besloot ik om mijn jasje aan te houden. Ik ritste het open, om niet te warm te worden, en reed gestaag door. Nog steeds op ongeveer hetzelfde tempo als ik de hele klim al had gedaan. De haarspeldbochten volgden elkaar nu in rap tempo op en de uitzichten waren adembenemend. Elke haarspeldbocht bracht mij weer een stukje verder, ik begon ze af te tellen. Ondertussen herkende ik uit een muziekinstallatie die boven op de berg stond het nummer ‘Self Esteem’ van The Offspring. Het gaf net dat steuntje in de rug dat ik nodig had. Het geluid kwam dichterbij en de top kwam dichterbij. Een licht euforisch gevoel kwam al in mij naar boven, omdat ik wist dat ik de top ging halen. De muziek werd nog luider, en na de laatste haarspeldbocht was ik boven. Ik had het gehaald! Alleen de afdaling nog in.



Eerst reed ik een kilometer door een tunnel, waarna de afdaling begon. Hier en daar zaten er wat technische bochten in, maar echt gevaarlijk werd het nergens. Na vijf kilometer afdalen moest nog een kort klimmetje van twee kilometer overwonnen worden. Met de laatste krachten die ik had reed ik hier omhoog, om aan het laatste stuk van deze Ötztaler Radmarathon te kunnen beginnen. Zonder onnodige risico’s te nemen daalde ik af, richting Sölden. Af en toe liep de weg nog een beetje omhoog, maar door het euforische gevoel dat zich van mij meester had gemaakt, maakte dat allemaal niet meer uit. Ik had het nu echt gehaald. Ik reed het dorpje binnen en besloot om te genieten van de laatste twee kilometer. Voor mijn gevoel stond het hele dorp langs de kant te roepen en mensen aan te moedigen. Het maakte het allemaal nog net wat mooier. Toen ik de finish zag was mijn blik maar naar één ding op zoek: mijn vriendin. Zij had ons vanochtend uitgezwaaid en ik wist dat zij bij de finish zou staan. Ik keek naar links en naar rechts en opeens zag ik haar. Dat moment zal ik niet gauw vergeten, wat een prachtig einde van een helse dag op de fiets. Ik sluit dan ook niet uit dat ik ooit nog terugkom voor de Ötztaler Radmarathon, al zal dat niet die van 2023 zijn, die sla ik nog even over.