De laatste loodjes zijn het zwaarst

Steenkapot. Voldaan. Moe. Blij. Het zijn allemaal woorden die bij deze dag passen, en ook wel bij deze hele vakantie. Ik zal beginnen met de dag van vandaag, die zoals gewoonlijk begint bij de mensen die ik op de camping ontmoet heb. Een man uit Haarlem die onderweg was naar Pamplona, zijn vrouw was een paar dagen eerder vertrokken, en hij was haar aan het inhalen. Over twee dagen zouden ze de reis samen vervolgen. Het was de eerste keer dat ik op een camping iemand tegenkwam die alleen fietste. Niet veel later kwam daar een tweede bij. Het was een jongeman van, ik schat, rond de 35. Hij was onderweg naar Faro, waar zijn vriendin woonde. Ook hij reisde helemaal alleen en had een nogal ambitieus doel: 3800 kilometer in 38 dagen. Ik ben blij dat ik mijn vakantie iets anders vorm heb gegeven.


Ik zwaaide hen vanochtend uit, ik was namelijk de eerste die vertrok. Om tien voor half negen, na een nieuw inpakrecord van 35 minuten, reed ik weg. Het ontbijt zou nog even op zich moeten laten wachten, ik had wat restjes van gisteren: een reepje en wat Haribo’s. Maar toen ik na tien kilometer keek waar de dichtstbijzijnde supermarkt of bakker was, kwam ik tot de conclusie dat ik nog vijftien kilometer zou moeten fietsen. Met alle heuvels die in het verschiet lagen zou dat zeker driekwartier duren. Ik reed maar rustig verder, iets anders zat er niet op.


Nadat ik de eerste kilometers relatief vlak langs de Ourthe had gereden, begon het al snel met klimmen. De dorpjes waar ik doorheen kwam waren even uitgestorven als de Franse dorpjes die ik ondertussen zo goed ben gaan kennen. In België hebben ze daarnaast het woord lintbebouwing ongeveer uitgevonden. Het viel mij op dat zolang een dorp alleen uit lintbebouwing bestond, er zeker geen voorzieningen waren. Als er meer straatjes waren aangelegd was er vaak wel een bakker of een supermarkt.



De omgeving zo in de vroege morgen was mooi. Het was erg bewolkt, zo bewolkt had ik het eerder niet gezien, maar dat was niet erg. Bij Joubiéval moest ik een korte omleiding volgen, wat een extra klimmetje aan de toch al vrij zware route toevoegde. In België waren ze vandaag ook aan de weg aan het werk, dat zal nodig geweest zijn ook. Hierna ging het grotendeels in dalende lijn richting Lierneux, waar een ontbijtje en voedsel voor de rest van de dag werd aangeschaft. Het ontbijt bestond uit twee ‘luxe’ pain-au-chocolats. Wat volgens mij vooral inhield dat er meer chocola in zat en dat er wat amandeltjes bovenop zaten. Ik kocht nog wat reepjes en, voor de laatste keer, een zakje Haribo’s. Toen ik dit zakje openmaakte stond ik erbij stil hoeveel ik wel niet van die rommel heb opgegeten de afgelopen anderhalve week. Ik denk dat ik bijna op twee kilo uitkom. Hiermee zal ik vast een van de beste klanten van de Haribo-fabriek zijn geweest. De komende tijd zal ik het schap snel voorbijlopen, ik kan die krengen even niet meer zien.


Hoe dan ook, het gaf wel energie. Energie die ik later op de dag nodig ging hebben. Nu nog even niet. Het stuk na Lierneux ging voor meer dan tien kilometer in licht dalende lijn, langs de rivier de Lienne. Ik moest wat bijtrappen, maar veel moeite kostte het niet. Toen ik rechtsaf ging en de Lienne achter mij liet, wist ik hoe laat het was. Direct volgde een vrij stevig klimmetje, met percentages tegen de tien procent aan. Bovenop ruste ik even uit.



Ik was nog steeds aan het twijfelen of ik in Maastricht zou stoppen, of door zou rijden naar Amersfoort. De twijfels hierover waren gisteren in gang gezet. Ik stond op de camping, banjerde wat rond en zei tegen mezelf: “eigenlijk heb ik het best naar m’n zin”. Terwijl ik dat zei dacht ik direct aan doorrijden naar Amersfoort. En waarom ook niet, fysiek ging het prima, ik had er nog even veel lol in als aan het begin. Daarbovenop zorgden de contacten die ik met iedereen op elke camping legde elke keer voor een leuke avond. Ik had echter een probleem, ik wilde mijn fiets naar de fietsenmaker brengen. Zonder te veel in detail te treden zou het fijn zijn als ik daar zo snel mogelijk terecht kon.


Terwijl ik dus, op de top van dat vervelende klimmetje, aan het uitrusten was, belde ik de fietsenmaker op. Ik vertelde wat mijn probleem was en zei: “op zijn vroegst kan ik morgen langskomen”. Dat kon nog prima in de planning van de fietsenmaker. De beslissing had ik dus voor mijzelf al gemaakt en daarmee had ik alle twijfel weggenomen. Ik zou vandaag in Maastricht de trein pakken. De rest van de dag zorgde alle omstandigheden ervoor dat ik alleen maar blij zou zijn met deze beslissing. Het werd namelijk heet, tegen de 35 graden aan. Daarnaast ging het tegen het einde van de dag toch wat moeilijker, waarschijnlijk door alle hoogtemeters van vandaag en de kilometers van de afgelopen anderhalve week.



Terug naar het punt waarop ik aan het uitrusten was. Er lag nog zo’n tachtig kilometer voor mij. Het eerste obstakel dat overwonnen moest worden was de Rosier. Een vervelende klim, al beklom ik hem wel van de makkelijkere kant. Acht kilometer lang, met wisselende stijgingspercentages, klom ik omhoog. Bovenop stopte ik even. Nu zou het grotendeels afdalen zijn, dacht ik. Niks bleek minder waar. De komende twintig kilometer gingen constant op en neer, een stijl klimmetje op, dan een afdaling en direct volgde het volgende klimmetje. Ze waren niet lang, maar toch, het stapelde zich wel op. Na tachtig kilometer volgde een stuk van zo’n acht kilometer in dalende lijn, richting Limbourg. Ik liet hier de bossen achter mij en dat was direct te zien aan de temperatuur, die nu constant boven de dertig graden bleef.


Na Limbourg volgde twee klimmetjes, halverwege het tweede klimmetje zocht ik een plekje in de schaduw op. Om bij te komen van de inspanningen van vandaag en de lichaamstemperatuur iets te laten zakken. Dat lukte allebei. Ik reed verder, naar de top van het klimmetje. Ik begon aan de laatste 35 kilometer van deze fietsvakantie, die grotendeels in dalende lijn zou verlopen. Al hield ook dit keer het hoogteprofiel mij enigszins voor de gek. Het ging naar beneden, maar slechts heel lichtjes, zo licht dat ik er nauwelijks profijt van had. Gecombineerd met de warmte ging het dan ook aardig moeizaam.


Op de grens met Nederland stopte ik even, ik at wat van de restanten die ik nog bij mij had en vervolgde de tocht, voor de laatste vijftien kilometer. Ik deed rustig aan en kon bijna niet meer. Tot ik het gevoel kreeg dat ik er bijna was, met nog vijf kilometer te gaan zette ik een soort eindspurt in. Nog een keer een stukje hard doorrijden, dan was ik er, dan kon ik uitrusten. Aan de oevers van de Maas gaf mijn teller nog een keer een snelheid van boven de dertig kilometer aan. Ik reed Maastricht binnen en begon te genieten van het moment, het moment dat ik er bijna was, dat ik het gehaald had. Zoveel meegemaakt in twaalf dagen, zoveel aardige mensen ontmoet die ik allemaal wil bedanken.



Allereerst het gepensioneerde stel op de eerste camping, die mij koud water en een stoel aanboden. Dan waren er Margot en Peter, mensen van zeventig jaar oud en nog zo fit, met wie ik een stuk op fietste en die mij voor een middag en avond adopteerde. Op diezelfde camping had ik een gesprek met een Franse jongen van rond de dertig, met wie ik mijn Frans een beetje oefende. Een camping verder kon ik met twee wandelaars uit München praten, die richting Santiago de Compostella aan het lopen waren. Maar daar, in het oosten van Frankrijk, al aangaven dat niet te halen. Op weg naar de volgende camping kwam ik een Belgische man uit Antwerpen tegen, met wie ik een kwartier sprak over alles wat een fietsvakantie zo mooi maakt. Op die volgende camping kon ik mee-eten met Wil en Hermie uit Geleen, enorm vriendelijke mensen die mij het nog overgebleven brood aanboden als ontbijt. In Noord-Frankrijk, in de hitte, kwam ik bij een uitkijkpunt een stel uit Amsterdam tegen, met wie ik het had over de Groene Weg, en wat ons beiden nog te wachten stond. Toen ik twintig kilometer later op de volgende camping stond, kwam ik vier mensen tegen, twee stellen, die ook de Groene Weg naar de Middellandse Zee aan het fietsen waren. De avond spendeerden we met z’n vijven voor de tent, al pratend over fietsen en allerlei andere zaken. Iets onder Luxemburg kon ik opnieuw mijn Frans oefenen, met twee Franse dames op een terras. Dan waren er nog Jan en Christine, een stel met kinderen uit Amersfoort, met wie ik mee kon eten en waar ik de avond van mijn leven heb gehad: badmintonnen met een van hun kinderen. Tot slot waren er de twee eenlingen van de camping in de Ardennen, de ene die naar Pamplona aan het fietsen was, en de andere naar Faro. Door al deze mensen is deze fietsvakantie gekleurd, deze mensen hebben mij de fietsvakantie doorheen geholpen. Zonder hun was het een stuk minder leuk geweest.


Ik heb het fantastisch naar mijn zin gehad, de omgeving was over het algemeen indrukwekkend. Ik heb nieuwe mensen leren kennen, ik heb de vriendelijkheid van mensen leren kennen. Ik heb nieuwe grenzen opgezocht, fysiek en mentaal. Kortom, dit smaakt naar meer. Ik ga dit zeker nog een keer doen, maar nu even niet. Ik heb genoeg gefietst, een paar rustdagen zijn wel op zijn plaats.