De rustdag

Met deze titel denkt u vast dat er weinig is om over te schrijven, maar een echte rustdag was het niet. Er werd alsnog gefietst, alleen niet al te lang.


Ik vertrok vanochtend uit Châtillon, ongeveer halverwege mijn reis door Frankrijk, nog niet op de helft naar huis. Maar toch, ik kom dichterbij. Zoals ondertussen bijna gewoonte is geworden reed ik eerst nog even langs de mensen die ik gisteravond had ontmoet. Ik heb een uur of drie bij hun voor de caravan gezeten, en heb zelfs een maaltijd kunnen nuttigen. Het was een stel, Wil en Hermie, uit Geleen, dat al twintig jaar in deze regio op vakantie ging. De fietsen gingen altijd mee, er was dus genoeg om over te praten.


Ik reed om kwart voor tien weg, ik gunde het mijzelf om uit te slapen. Daarnaast was het, toen de wekker om half acht ging, nog veel te koud. De camping bevond zich op vijfhonderdvijftig meter hoogte, en dat was direct te merken aan de temperatuur. Ik heb vannacht zelfs mijn thermoshirt aangetrokken, of dat echt per se nodig was weet ik niet. Maar comfortabel was het wel.


Om tien uur was het ondertussen aardig opgewarmd, zo rond de twintig graden, dus kon ik gewoon met een korte broek en een kort shirtje aan vertekken. Het eerste stuk was direct klimmen, niet steil, maar wel vervelend om mee te beginnen. De weg ging door het dorpje Châtillon. Even daarna was een prachtig uitzichtpunt over de vallei van de Ain, waar ik gisteren de hele dag doorheen had gefietst. Ik stopte even, allereerst om te genieten van het uitzicht, maar ten tweede ook om het plan voor vandaag uit te stippelen. Op de camping, zonder wifi en zonder bereik, was daar geen gelegenheid voor geweest. Ik vond twee campings, een na 55 kilometer en een na 95 kilometer. Daartussen was een soort gapend gat waar enkel een naturistencamping was. Die sla ik even over. Ik besloot om twaalf uur te kijken hoe het ging. Maar in mijn achterhoofd wist ik het eigenlijk al, vandaag wordt een rustdag. Althans, een relatief rustige dag.



Na dit uitkijkpunt volgde een korte afdaling door het bos, waarna opnieuw kort geklommen moest worden tot iets boven de zeshonderd meter. Dit zou het hoogste punt van de hele route zijn. Er stond helaas geen bordje, dus ik reed snel door. Toch voelde het als een kleine overwinning. Na dit hoogtepunt, letterlijk, kwam ik door Mirebel, ik hoopte op een bakkertje, maar kon er geen vinden. Op naar het volgende dorp dan maar.

Het stuk tussen deze twee dorpjes leek op het hoogteprofiel nagenoeg vlak, maar was dat allerminst. Met de wind nog steeds tegen was dit een vervelend stukje. Nergens kon ik echt een lekker tempo rijden en constant moest ik de juiste versnelling vinden. Ik ben het Frans-vlak gaan noemen. Dan weer vijf meter naar beneden, dan weer zeven meter klimmen, eenmaal boven een kort stukje vlak, waarna je weer naar beneden gaat. Als je wind mee hebt en geen bepakking bij je hebt kan je hier constant snelheid meenemen, je versneld in de afdaling en trekt een kort sprintje omhoog. Nu, met bepakking en wind tegen, lukte dat nauwelijks.


Maar niet getreurd, want ik kwam in het volgende dorpje, La Marre. Waar zowaar een bakker en een klein supermarktje in hetzelfde pand zaten. Ik kocht een Pain Complet en twee plakken ham, net als gisteren. Ook zag ik twee croissants liggen, die ik niet kon laten liggen. Deze bleken een kleine deceptie, net te veel deeg, net niet luchtig genoeg, en net te klein. De luxe roomboter croissants van de Albert Heijn zijn beter.


Ik ging op zoek naar een mooi plekje om de helft van dit brood soldaat te maken, en belande in een weiland naast de weg. Ik zat daar heerlijk in het zonnetje, maar trok ook redelijk wat bekijks. Een Franse wielrenner vroeg zelfs of ik hulp nodig had. Dat was gelukkig niet het geval, alles functioneerde nog prima. Ik reed verder en kwam nog geen kilometer later een veel mooiere plek tegen om te pauzeren, na een foto reed ik echter door. Het kon niet zo zijn dat ik op deze halve rustdag pas om drie uur op de camping arriveer.



Na nog een stuk Frans-vlak kwam ik door Plasne, de plek waar ik naar uit had gekeken. Hier begon namelijk een lange, overzichtelijke afdaling richting Poligny. Ik hoefde nauwelijks bij te trappen of te remmen over deze rechte weg die met een procent of vijf naar beneden liep.


Deze vijf kilometer vlogen voorbij. Eenmaal in Poligny ging het nog altijd naar beneden, maar nu moest ik af en toe stoppen voor een rotonde of een scherpe bocht maken. Ik kwam ook over een lelijk industrieterrein, wat ik gauw achter mij liet.

De route ging hierna iets meer naar het noordoosten, terwijl de wind iets meer uit het noordwesten kwam. Een welkome afwisseling, waardoor het af en toe leek alsof ik wind mee had. In feite had ik gewoon minder wind tegen. In Villette-lès-Arbois stopte ik, om de rest van het brood op te eten. Ik aanschouwde de omgeving van deze prachtige bushalte, waar de Tour aankomende zaterdag vlak langs zal komen.



Het was ondertussen één uur en er stond nog iets minder dan twintig kilometer op de planning. De eerste kilometers gingen deels door een mooi bos, waar het opnieuw Frans-vlak was. Al waren de afdalingen en klimmetjes iets langer. Het duurde niet lang voor ik aankwam in de plaats van bestemming. Ik reed een stuk over een kaarsrechte weg waar ik in de verte een soort paleis zag liggen. De foto hieronder laat het beter zien.



Twee kilometer verder reed ik de camping op, de tent zette ik snel neer, om hem te laten drogen van afgelopen nacht. Het had niet geregend, maar alles was nat van de condens. Morgen ga ik weer verder, de etappe zal een stuk langer zijn, maar waarheen precies deze zal leiden weet ik nog niet.