Een enorm mooie omgeving en veel gezelligheid

Over het algemeen schrijf ik over wat er tijdens het fietsen allemaal gebeurt, vandaag kan ik echter niet om de vriendelijke campinggasten heen. Normaal gesproken gebeurt er niet zoveel op de camping. Ik zet mijn tentje op, eet wat, lees een stukje en ga slapen. Ik was gisteren daarentegen zo vroeg op de camping, om half twee al, dat er ruimte zat was voor een duik in het zwembad. Bij het opzetten van mijn tent, iets daarvoor, merkte ik al snel dat het zonder hamer een heel lastig verhaal zou worden. Ik had de Nederlandse gasten iets verderop al voor hun caravan zien zitten en schroomde niet om hun om een hamer te vragen. Ze vroegen direct of ik niet ook een stoel mee wilden nemen, dat aanbod sloeg ik natuurlijk niet af. Een hamer en een stoel (tijdelijk) rijker, maakte ik het opzetten van mijn tent af.


Na de hiervoor genoemde verfrissende duik in het zwembad zag ik de vrouw van het stel mijn kant op lopen. Ze gaf mij een koud flesje water. Mijn dank was opnieuw groot. Aan het eind van de avond, toen het wat was afgekoeld, bracht ik de stoel terug. We raakten aan de praat over mijn avontuur, maar ook over hun avonturen. Het waren, net als ik, fervente fietsers, die de nodige fietsvakanties al achter de rug hadden. Ze trokken nu twee maanden lang met de caravan, en hun twee fietsen, door Frankrijk. Om de dag fietsten ze een kilometer of zestig, ik hoop dat ik op die leeftijd dat nog kan doen (ze zullen rond de zeventig zijn geweest). Ongeveer een uur lang waren we aan het praten over al het moois dat we van Frankrijk hadden gezien, en nog zouden zien. Alle drie waren we gefascineerd door de Mont Ventoux, die mythische berg. Rond tien uur maakte ik de oversteek terug naar mijn tent.


Vanochtend, toen ik weg wilde rijden, werd mij opnieuw wat aangeboden. Een fietspomp, om de bandenspanning nog een keer te controleren. Ook dit nam ik hartelijk aan. Ik pakte alles in, pompte mijn banden op en zei ze gedag. Zij zwaaiden mij uit, en ik vertrok.


Nagenietend van deze vriendelijkheid reed ik de eerste paar kilometer richting Valréas. Deze kilometers waren typisch vals plat, ongeveer één procent liep de weg omhoog, maar nergens viel het op dat de weg omhoog liep. Behalve als ik de snelheid vergeleek met mijn hartslag. Eenmaal in Valréas, overigens een leuk dorpje, reed ik naar een bakkertje dat ik gisteravond al opgezocht had. Ik kocht twee croissants en twee pain-au-chocolats, waarbij het plan was om die alle vier direct op te eten. Ik had nog geen hap genomen of een typische, Franse oude man, kwam op mij afgelopen. Hij had een wandelstok in zijn hand, een iets te klein grijs hemd aan, en een net iets te dikke buik. Alleen het petje en de baguette ontbrak. Al zou aan dat laatst snel wat gedaan worden. Maar niet voordat we, in huis, tuin en keukenfrans, een gesprekje voerden. Tot mijn verbazing kon ik hem redelijk volgen, al deed hij ook erg zijn best om langzaam en duidelijk te praten. Hij wenste mij veel succes, waarna ik aan mijn ontbijt kon beginnen.



Na dit opgegeten te hebben (ik bewaarde een croissant voor later op de dag) hoorde ik een auto toeteren. Het was de man met wie ik zojuist had gepraat. Hij zwaaide. Ik zwaaide terug, en opnieuw was ik verrast door de vriendelijkheid.


Ik was vandaag wat later vertrokken, met als enige reden dat er weinig kilometers op het programma stonden. Slechts zestig, wel moesten er twee flinke klimmen overwonnen worden. De eerste volgde direct uit Valréas. Het begon met een paar kilometer aan een procent of twee, wat eigenlijk nauwelijks klimmen te noemen is. Na het dorpje Taulignan begon het iets serieuzer te worden, een procent of vijf à zes, nog steeds prima te doen.

Eenmaal boven liet ik mijn grote vriend van gisteren, de Mont Ventoux, definitief achter mij. Hij zou nu schuil gaan achter de heuvels waarvan ik er zojuist eentje had beklommen. Ik keek nog een keer achterom en begon met de afdaling. Een afdaling die werkelijkwaar prachtig was. Er stonden weinig bomen waardoor er constant van het uitzicht genoten kon worden. Ik kon de vlakte die ik zometeen over zou gaan zien liggen, en ook de volgende klim zag ik al in de verte liggen. Althans, ik zag een soort heuvelrug voor mij liggen. In deze afdaling stopte ik even voor een foto en at ik mijn laatste krentenbolletje op dat ik van huis had meegenomen.



Ik kwam na deze afdaling door La Bégude-de-Mazenc, waar ik een riviertje overstak. Eigenlijk is zelfs een riviertje overdreven, de gemiddelde sloot in Nederland vervoert meer water. Na dit dorpje dacht ik dat het een tijd vlak, of semi-vlak, zou zijn. Dat bleek helaas niet waar. Na tweehonderd meter moest er al geklommen worden. Niet lang, maar toch. Ook hierna ging het constant op en af, nergens echt steil en lang gelukkig.



De omgeving werd mooier en mooier, voor mij doemden de enorme rotspartijen, die ver boven het landschap uitstaken, op. Tot op zeker hoogte waren deze rotspartijen bedekt met bomen, maar daarboven was het het ideale oefenterrein voor mensen die van abseilen houden. Mij niet gezien. Hoe dichter ik bij deze heuvelrug kwam, hoe meer ik mij af begon te vragen hoe de weg mij hier overheen zou leiden. Daar hoefde ik niet lang op te wachten. Nadat ik door een oud en schattig dorpje kwam, reed ik namelijk door een tunnel. Zodoende hoefde ik niet de heuvel over, maar kon ik er dwars doorheen.


Na dit tunneltje pauzeerde ik even in de schaduw, dat kon ook makkelijk want het was pas elf uur. Na een kwartiertje in de schaduw, waarin ik mijn besaarde croissant opat, stapte ik weer op de fiets. De weg ging door een soort kloof, met rechts naast mij een riviertje (opnieuw stroomde er weinig water doorheen). Aan beide kanten van de weg waren verder enorme rotspartijen te zien, zoals eerder al beschreven, het zorgde voor een redelijk koele omgeving. Al had de zon ook dit deel van Frankrijk al weten te vinden.



Aan deze rivier stond ook een restaurant, La Fontaine Minerale, na een korte aarzeling besloot ik opnieuw te pauzeren. Tijd zat immers. Ik bestelde een cola en zat hier een goed halfuur. Het begon nu flinkwarmer te worden. De rivier bleef rechts van mij stromen tot het dorpje Saou. Zeker de moeite waard om een keer langs te gaan als je in de buurt bent. Op het kneuterige pleintje, waar een aantal barretjes waren, stopte ik wederom. Dit keer om wat te eten. Een stuk brood met een soort tonijnsalade (waar ik een heel potje van kocht) werden opgegeten. Het gaf mij de nodige energie voor de rest van de dag. Slechts vijftien kilometer stond nog op het programma.


Bij het pakken van mijn fiets in Saou, hoorde ik twee oudere mensen Nederlands praten. Ik maakte mij bekend en we raakten aan de praat. Ze hadden al vier weken erop zitten, van Nederland via Genua naar waar ze nu waren, en hadden ook het plan om de route 'Groene Weg naar de Middellandse Zee' te volgen. Ze waren onderweg naar dezelfde camping als ik en we fietsten een stuk met elkaar op.



Er volgde een klim die opnieuw makkelijk begon, maar waarvan de laatste kilometer gemiddeld zeven procent was. Bovenop wachte ik op mijn nieuwe vrienden. Ze hadden net als ik weinig mee, een kilo of negen per persoon. In de afdaling ging ik een stuk harder, maar op de camping kwamen ze aan toen ik net afgerekend had. Morgen zullen onze wegen zeer waarschijnlijk eindigen, omdat ik waarschijnlijk een camping verder zal kiezen. We hebben net gezamenlijk een drankje op de camping gedaan, en zijn nu in afwachting van het eten. We moeten nog even wachten, aangezien de keuken 'pas' om zes uur opent. Tot die tijd zitten we lekker voor onze eigen tent.