Kilometers maken

Toen ik gisteravond ging slapen had ik bedacht om naar een camping te fietsen in Port-sur-Saône, op zo'n honderd kilometer. Ik wilde enigszins vroeg weg om mooi op tijd op de camping te zijn. Om kwart over zeven werd ik wakker, in een recordtempo (veertig minuten) pakte ik alles in. Om iets voor achten wilde ik wegrijden. Eerder had ook geen zin gehad, gezien de supermarkt in het dorpje om acht uur open ging. Ik stond bij de uitgang van de camping en zag voor mij een stuk of honderd koeien de weg over steken, van de boerderij het weiland in. Ik wachte geduldig en reed om twee over acht weg.


Om vijf over acht was ik bij de supermarkt. Waar ik in wilde slaan, zodat ik de rest van de dag niet meer hoefde te stoppen voor eten. Ik kocht een brood en een soort gedroogde bacon, als ontbijt. Verder schafte ik, hoe kan het ook anders, een zakje Haribos aan. Tot slot kocht ik een zestal mueslirepen. Alles op het gemak, de winkel was zo net na openingstijd enorm rustig. Het personeel was nog aan het opstarten en de bewoners van het dorpje moesten nog ontwaken.


Ik niet. Ik was wakker, en klaar om er weer een mooie dag van te maken. Zo vroeg op de dag was het nog fris, een graad of zeventien. In korte afdalinkjes, die ook nog eens in de schaduw lagen, voelde het nog net wat kouder aan. Het eerste doel van de dag was het zoeken van een bankje, waar ik in alle rust het ontbijt kon nuttigen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De bankjesdichtheid is in Frankrijk, zeker buiten de dorpjes en steden, veel lager dan in Nederland.


Het eerste bankje dat ik tegenkwam was vervallen, ik reed er langs en vroeg mij af of het niet zou instorten als ik erop zou gaan zitten. Ik liet het bankje voor wat het was. Iets hierna kwam ik bij de rivier de Doubs, tevens de naam van deze regio. Mijn bank-kansen stegen aanzienlijk, en niet veel later trof ik er een. Althans, het was geen bankje, maar een heuse picknicktafel. Deze stond aan de rivier, op een soort camperparkeerplaats. Waar door twee Duitse campers gretig gebruik van werd gemaakt. Aan de rivier, in het zonnetje, sneed ik het brood aan en belegde het rijkelijk met de aangekochte vleeswaren. Eén derde bewaarde ik, voor later op de dag, belegd en al ging het mijn achterzak in.


Langs deze rivier was het eindelijk een paar kilometer vlak. Ik reed dan ook gestaag door en kwam bij Saint-Vit, waar de doorgaande weg afgesloten was. Door wat steegjes en zijweggetjes vond ik mijn weg door dit plaatsje. Waar de weg niet meer afgesloten was werd ik onthaald door een gladde, net aangelegde, laag asfalt. Ik begreep waar ze mee bezig waren.


Iets buiten dit dorpje zag ik wat vreemds. Een vrouw van, ik schat, rond de vijftig, rennend in haar roze nachtjapon door de berm. Misschien was het geen nachtjapon en zou ik haar enorm beledigd hebben mocht ik dit tegen haar hebben gezegd, maar het leek er verdraaid veel op. Ik keek nog eens goed, en zag dat ze onderweg was naar haar rode Citroën c1, die iets verderop, tevens in de berm, geparkeerd stond. Ik vond het maar een vreemde gewaarwording.


Ik reed door het volgende dorpje, Ferrières-les-Bois. Een nogal rare naam. In Nederland heet er, voor zover ik weet, geen enkel dorpje (hoe klein ook) Veerboten-het-Bos. Goed en wel bijgekomen van deze gekke plaatsnaam, zag ik diezelfde vrouw opnieuw. Weer op weg naar haar rode Citroën c1, weer rennend door de berm in een roze gewaad. Ze keek mij aan, ik keek verbaasd terug, en daar bleef het bij. Tot zover de roze Madame in midden-Frankrijk.



Ik kwam door allerlei leuke dorpjes, al leek de tijd hier soms stil te hebben gestaan. Meestal leek het van een afstand een leuk en schattig dorpje, bij het binnenrijden veranderde dat meestal. Geen enkele voorziening was aanwezig, geen bakker, geen kapper, geen supermarktje, alleen een kerk, die was er bijna altijd wel.


Het volgende dorpje waar ik doorheen reed was Marnay. Bij binnenkomst zag ik een bordje staan met 'Karakteristieke Stad', en niets was minder waar. Ik vond het wat weghebben van Valkenburg, ik reed een riviertje over en kwam via een gemeen oplopend weggetje in het ooude centrum. Het was allemaal een stuk kleiner dan Valkenburg, maar het leek wel op elkaar.



Na Marnay was het een heel stuk richting het noorden, zoals eigenlijk al de hele week. Ik werd een grote weg opgeslingerd, waar de auto's met negentig voorbijkwamen, gelukkig houden de mees netjes afstand. Ik arriveerde in Gy, waar ik bij de Intermarché een fles water kocht en een klein flesje zeep. Drie campings geleden had ik deze in het douchegebouw laten staan. Sindsdien was het een beetje behelpen, meestal lag er wel wat zeep ergens in het douchegebouw waar ik dankbaar gebruik van maakte. Nu was het in ieder geval volledig opgelost.


Tevreden met de aankoop reed ik verder, waarbij ik weer een dorpje passeerde. Opnieuw was de enige voorziening een kerk. Wel was er wat anders aan deze kerk, het dak van de toren had een apart patroontje, wat ik in het dorpje verderop ook tegen zou komen. In Saint-Gand maakte ik er dan ook een foto van. Al is de karakteristieke toren matig te zien op deze foto.



Voor Saint-Gand reed ik een stuk door een bos, wat met de wind, die nog steeds uit het noorden kwam, erg aangenaam was. De bomen gaven bescherming, bescherming die ik af en toe wel nodig had. Tot nu toe was de route vandaag redelijk vlak, Frans-vlak welteverstaan. Al was het een soort light versie van dat eat ik de afgelopen dagen omschreef als Frans-vlak. Het ging telkens heel lichtjes op en af, maar nergens echt vervelend of echt steil.



Na Saint-Gand kwam ik door Soing, waar het tweede deel van deze dag begon. Dit tweede deel werd aangegeven door een Eifel toren die ze hier hadde nagebouwd op een schaal van 1/20. Iets hierna stak ik de Saône over, die mijn grote vriend zou worden. Het tweede deel van de route voerde namelijk langs deze rivier. Volledig vlak dus, op een bruggetje hier en daar na. De kilometers vlogen voorbij, het fietspad dat langs deze rivier liep voelde Nederlands aan, alleen kwam ik hier nauwelijks fietsers tegen. In twintig kilometer een stuk of tien. Af en toe week de route iets af van de rivier, waardoor er opeens een gemeen klimmetje tevoorschijn kwam. Maar erg was dat niet, na alle klimmetjes die ik had gehad, was ik allang blij met een stuk van dertig kilometer wat grotendeels vlak was. Niet Frans-vlak dit keer, gewoon echt Nederlands-vlak. Zo vlak als een weg door de polder, zo vlak als een weg langs de rivier. Zo vlak als negentig procent van Nederland, zo vlak was het vandaag ook even. En ik genoot ervan.



Af en toe kwam er een kasteeltje langszij, wat het er alleen maar mooier op maakte. Ik kwam ook door een dorpje, waar ik eventjes achter een autootje van de gemeente wilde hangen om uit de wind gehouden te worden. Het autootje reed net te snel, wel kon ik in de korte tijd dat ik erachter reed waarnemen dat er twee houten stoelen in de open achterbak stonden. Dat maakte dan ook dat ik het wagentje twintig kilometer later weer zou herkennen, opnieuw reed het te snel om van te kunnen profiteren.


Ondertussen kwam ik langs de uitgezochte camping in Port-sur-Saône. Ik twijfelde, het ging eigenlijk wel lekker, en elke kilometer die ik vandaag deed hoefde ik op een later moment niet te doen. Ik besloot om door te rijden. Wel keek ik eerst goed waar ik dan uit zou komen. Campings waren er niet echt, dus zocht ik een Gîtes op, een simpel kamertje die verspreid over heel Frankrijk aanwezig zijn. Voor slechts €45 had ik een warm onderkomen geboekt in Corre. Dat betekende wel dat ik nog 35 kilometer zou moeten afleggen vandaag.


Ik reed nog een stukje langs de Saône, maar liet deze al snel achter mij. Dat betekende ook dat het niet meer vlak zou zijn. Ik blies mijzelf flink op op een klimmetje en besloot rustiger aan te doen. Door de bossen richting Amance had ik redelijk weinig last van de wind, waardoor ik redelijk opschoot. Na Amance zouden nog twee klimmetjes volgen. Ik had het hier wat moeilijker, ik zat immers al bijna zes uur op de fiets. Gelukkig kwam er halverwege het eerste klimmetje een enorme tractor met aanhanger mij voorbij. Ik aarzelde geen moment en trok een sprintje. Op nog geen meter van deze enorme trekker had ik geen last van de wind. Met iets minder dan veertig kilometer per uur reden we omhoog. Ik moest aardig mijn best doen om erbij te blijven, maar toch hielp dit enorm. Halverwege het tweede klimmetje sloeg de trekker linksaf en moest ik het zelf afmaken. In alle rust reed ik omhoog, om vervolgens van de afdaling richting mijn eindbestemming te kunnen genieten. Uiteindelijk ben ik honderdveertig kilometer verder dan waar ik vanochtend begon, en toch weer een mooi stuk dichter bij de Luxemburgse grens.